De Omstanders
Blog 79, De Omstanders
Ramptoerisme wekt woede bij getroffen Limburgers: ‘Echt walgelijk’
Op veel plaatsen in Limburg gelden noodverordeningen om ramptoeristen te weren. ‘Het is bizar en pijnlijk om te ervaren hoe mensen het leuk vinden om ons verdriet en paniek te zien.’
(Parool)
Als ik dit lees, krijg ik last van plaatsvervangende schaamte. Ik denk, "het lijkt wel of bij ieder ongeluk of grote ramp de toeschouwers uit de grond oprijzen". En die gedachte zet een reeks associaties op gang die in dit geval eindigt bij een kort verhaal van Ray Bradbury uit de bundel 'Macaber Carnaval'.
Het is getiteld 'De Omstanders'. Hieronder een samenvatting met cursief wat citaten:
De omstanders
De hoofdpersoon krijgt een auto-ongeluk en wordt uit de auto geslingerd. Van alle kanten komen mensen aangerend.
Waar al die mensen vandaan kwamen, wist hij niet. Hij worstelde om bij bewustzijn te blijven en toen sloten de gezichten hem in, hingen over hem heen als de grote glanzende bladeren van neerbuigende bomen.
Hij ziet al die mensen om hem heen staan en krijgt daarbij het gevoel dat er iets niet klopt. Hij hoort een stem vragen of hij dood is. Als hij in de ambulance ligt, ziet hij de omstanders door de raampjes naar binnen turen.
De omstanders die er altijd zo gauw bij waren, ongelooflijk gauw, en dan een kring vormden en op je neerkeken en loerden en gaapten en vroegen en wezen en irriteerden en met hun openlijke nieuwsgierigheid inbreuk maakten op je puur persoonlijke pijn.
In het ziekenhuis wordt hij na twee dagen wakker en hij deelt met de dokter zijn gevoel dat er iets niet klopte.
De omstanders waren er te vlug. Dertig seconden na de klap stonden ze al over me heen gebogen en naar me te staren, allemaal … Het kan eenvoudig niet, dat ze zo hard lopen en dan nog zo laat op de avond …
De dokter stelt hem gerust en vertelt hem dat zijn gevoel voor tijd door het ongeluk is aangetast. Het is niet meer dan logisch dat hij door het ongeluk een beetje in de war is.
Hij ligt twee weken in het ziekenhuis en vertelt alle bezoekers over zijn gevoel dat er iets niet klopte bij het ongeluk. Ze lachen hem vriendelijk uit.
Als hij uit het ziekenhuis wordt ontslagen, rijdt hij met een taxi naar huis. Onderweg gebeurt er een ongeluk iets verderop. Hij vraagt de chauffeur er langs te rijden. Ze hebben de grootste moeite om in de buurt te komen vanwege het grote aantal omstanders.
'Ooit ‘s avonds een ongeluk gezien – ‘s avonds laat?'
De chauffeur knikte. ‘Allicht. Maar dat maakt geen verschil. Altijd een massa mensen er omheen.’
Als ze er uiteindelijk langs rijden, is degene die op straat ligt nauwelijks zichtbaar. Alle omstanders staan met hun rug naar hem toe. Hij heeft de behoefte ze uit te schelden, maar hij is bang om naar hun gezichten te kijken.
Op kantoor praat hij met zijn vriend.
‘Ik schijn aantrekkingskracht uit te oefenen op ongelukken, vanmorgen kwam ik uit het ziekenhuis en op weg naar huis moesten we meteen al om een verongelukte auto heenrijden.’
Zijn vriend zegt dat het vreemd is, maar praat er verder snel overheen. Dan horen ze op straat een hard metalig geluid. Hij loopt snel naar het raam en kijkt op zijn horloge.
Een, twee, drie, vier, vijf seconden – rennende mensen – acht, negen, tien, elf, twaalf – mensen kwamen aanstuiven, overal vandaan – vijftien, zestien, zeventien, achttien seconden – nog meer mensen, nog meer auto’s, nog meer loeiende claxons.
Als hij goed kijkt, meent hij een roodharige vrouw te zien die ook bij de omstanders van zijn eigen ongeluk stond. Hij rent zijn kantoor uit om te constateren dat de roodharige vrouw er niet meer is. Maar als hij zich onder de omstanders mengt, herkent hij andere mensen.
‘Is ze dood?’ vroeg een stem. ‘Is ze dood?’
‘Stervende,’ antwoordde iemand anders. ‘Ze is dood voordat de ambulance aankomt. Ze hadden haar niet moeten verleggen. Ze hadden haar niet moeten verleggen.’
Hierna gaat hij krantenknipsels van auto-ongelukken verzamelen. Het blijkt dat de roodharige vrouw op veel foto's voorkomt, ook als er wel 10 jaar tussen ligt. En ze draagt steeds dezelfde kleren. Hij zegt tegen zijn vriend:
'Ze hebben één ding gemeen: ze komen altijd samen opdagen. Bij een brand of een ontploffing of bij de bij-effecten van een oorlog – bij elke openbare uitstalling van wat men de dood noemt. Gieren, hyena’s of heiligen, ik weet niet wat het zijn, ik weet het werkelijk niet. Maar ik ga hiermee naar de politie, vanavond nog. Het is nu lang genoeg aan de gang. Eén van hen heeft vandaag die vrouw verlegd. Ze hadden haar niet mogen aanraken. Het werd haar dood.’
De gedachte bekruipt hem dat de omstanders haar expres verlegd hebben, dat ze wilden dat ze stierf. Hij rijdt naar de stad en is extra voorzichtig, hij wil nu geen ongeluk krijgen. Dan rijdt er een vrachtauto op hem in.
Hij hoorde hun voeten rennen, rennen, rennen. De omstanders waren er. Hij rook hun adem, de vermengde geuren van vele mensen die lucht naar binnen zogen, zogen, zogen; de lucht die je nodig had om van te leven. Ze duwden en drongen en zogen alle lucht weg rondom zijn smachtende gezicht totdat hij probeerde te roepen dat ze achteruit moesten gaan, dat ze hem lieten ademen in het luchtledige. Zijn hoofd bloedde hevig. Hij probeerde zich te bewegen en besefte ineens dat er iets mis was met zijn ruggengraat. Hij had van de botsing niet veel gevoeld, maar zijn wervelkolom was beschadigd. Hij durfde zich niet te verroeren.
Hij hoort iemand zeggen dat ze hem moet omdraaien, er wordt geprotesteerd, maar het gebeurt toch.
Ze legden hem recht tot hij een paal van pijn was. Hij had hun gezichten eerder gezien. Een bekende stem vroeg: ‘Is … is hij dood?’ Een andere stem, een stem om nooit te vergeten, antwoordde: ‘Nee. Nog niet. Maar hij sterft voordat de ambulance er is.’
Hij realiseert zich dat het een complot is. Deze groep mensen bepalen wie dood gaat of wie blijft leven na een auto-ongeluk. Zij hebben de perfecte manier gevonden om iemand te vermoorden.
Hij keek naar hen, boven hem, en hij was nieuwsgierig, als een drenkeling die diep onder water omhoog kijkt naar de mensen op de brug. Wie zijn jullie? Waar kom je vandaan en hoe kom je zo gauw hier? Jullie zijn de omstanders die altijd in de weg lopen, die de goede lucht verbruiken waaraan de longen van een stervende zo’n behoefte hebben, die de ruimte innemen waarin hij zou moeten liggen, alleen.
In de verte hoort hij de sirene van de ambualance, maar hij ziet aan de gezichten van de omstanders dat het te laat is.
‘Het lijkt erop dat ik mij bij jullie ga aansluiten. Ik zal nu ook wel lid van jullie groep worden denk ik.’
Toen sloot hij zijn ogen en wachtte op de lijkschouwer.

Reacties
Een reactie posten