Kamperen
Blog 47, Kamperen
"Laten we gaan kamperen, iedereen doet het en het is hartstikke fijn." Als kind zeurde ik tegen mijn ouders dat ook ons gezin aan de beurt was om de natuur te trotseren. Mijn vader en moeder hadden er overduidelijk geen trek in, maar ik bleef net zo lang zeuren tot ze bij een betrouwbare organisatie, de ANWB, een reservering deden in Zwitserland voor een tent, die in feite meer leek op een huisje. Een relaas van deze poging om aansluiting te vinden bij het kampeergilde.We vertrokken vol verwachting in de Renault 4 richting Zwitserland. In één dag rijden, met vier kinderen samengepakt in het populaire koekblikje van Renault. Vanaf het begin zat het tegen. Toen we de grens over waren, klonk er opeens een heel raar geluid aan de voorkant van de auto. Er zat niets anders op dan een garage op te zoeken, waar bleek dat een rubber nap rond een aandrijfstang was gescheurd, waardoor de olie eruit was gelopen. De monteurs konden het niet echt repareren, maar een flinke dosis vet zou het wel een paar dagen houden. En zo kon de reis, met op de achtergrond de angst dat het geluid zou terugkeren, worden voortgezet.
Door de vertraging kwamen we laat in de buurt van de camping aan. Het schemerde en er moest nog een slingerende weg naar boven worden afgelegd in de stromende regen. Mijn vader zorgde met zijn gezichtsuitdrukking verder voor het onweer. De camping bleek 1700 meter hoog te liggen en toen we er uiteindelijk arriveerden, was de stromende regen overgegaan in een stortbui. We stapten uit en werden ontvangen door een aantal Hollanders die in het wc-gebouwtje, met aan de buitenkant de wasbakken, in regenjacks en kniehoge laarzen met de paraplu boven het hoofd, vrolijk stonden af te wassen. Een paar waren zelfs aan het zingen. "Weertje, hé", zeiden ze tegen mijn ouders die vol ongeloof naar dit tafereeltje stonden te staren. Mijn vader ging het kantoortje binnen waarna we naar onze tent liepen. Er waren direct twee tegenvallers te verwerken. Het ruime grasveld voor de tent bleek een klein veldje dat grensde aan een duizelingwekkende afgrond zonder enige afscherming en de tent bleek in een kuil op een vlonder te staan, waaronder het water vrij spel had. Anders gezegd, onze tent stond boven een kleine woest stromende beek. De stemming was al niet best, maar zakte bij mijn ouders naar een nieuw dieptepunt. Mijn moeder haalde diep adem. probeerde enig enthousiasme voor te wenden en daalde de kuil in. Na één stap gleed ze uit en met een flinke vaart en van top tot teen onder de modder eindigde ze tegen de vlonder, die niet meegaf. Mijn vader, als gewaarschuwd man, stapte heel voorzichtig de kuil in, wist op de been te blijven en stapte op de vlonder aan de kant van de voortent. Hij bukte zich om de rits open te trekken en dat ging werkelijk heel soepel, te soepel want de rits was kapot.
Toen knapte er iets in hem. "We gaan!"
En zo stapten we zwaar bemodderd in de Renault 4, vonden uiteindelijk een hotelletje, eerdere pogingen waren gestrand op ons besmeurde uiterlijk, en reden de volgende dag naar Zuid-Duitsland om een onderkomen te vinden in een verdieping van een prachtige bungalow, waar we nog jaren vakantie hebben gevierd. Het K-woord werd niet meer uitgesproken.

Reacties
Een reactie posten