Het nut van nutteloze kennis
Blog 29, Het nut van nutteloze kennis
In 1939 publiceerde Abraham Flexner (1866-1959) een verhandeling getiteld “The Usefulness of Useless Knowledge” (Het nut van nutteloze kennis). Flexner merkt hierin op dat de technologische vooruitgang in onze maatschappij enorm hard gaat. In een dergelijke maatschappij lijkt het logisch om meer geld te investeren in toegepast onderzoek, direct gericht op het oplossen van urgente problemen - denk aan het bestrijden van kanker. Maar als we kijken naar het verleden, waardoor zijn de grote revoluties in de technologie dan ontstaan? (Uit Quantum Universe)
Serendipiteit is het vinden van iets onverwachts en bruikbaars, terwijl de vinder op zoek was naar iets totaal anders. Serendipiteit is door de Amerikaanse onderzoeker Julius Comroe omschreven als "het zoeken naar een speld in een hooiberg, en eruit rollen met een boerenmeid".
Laten we eens kijken naar toevalligheden en bizarre ideeën die hebben geleid tot baanbrekende ontdekkingen:
- De magnetron
Toen Perry Spencer in 1945 een nieuw onderdeel testte voor een radarinstallatie smolt de chocoladereep in zijn jaszak. Hij ontdekte dat dat kwam door microgolven die door dit onderdeel werden uitgezonden. - Viagra
De farmaceut Pfizer (die van het Coronavaccin) maakte een medicijn tegen aandoeningen van het hart. Tijdens het uitproberen van dit medicijn door proefpersonen werd duidelijk dat het medicijn niet deed waarvoor het bedoeld was, maar dat de mannen uit de steekproef sterkere en langduriger erecties bleken te krijgen, zelfs als ze erectiestoornissen hadden. - Insuline
In 1889 deden de professoren Oscar Minkowski en Josef von Mering een onderzoek naar de invloed van de alvleesklier op de spijsvertering. Ze haalden dit orgaan uit het lichaam van een gezonde hond om te zien wat dat voor de spijsvertering betekende. Enkele dagen later bleek dat de urine van de hond veel vliegen aantrok, wat nogal ongebruikelijk is. Hun nieuwsgierigheid leidde tot de ontdekking dat de urine van de hond suiker bevatte en dat de hond dus diabetes had gekregen. Op grond van hun bevindingen werd 30 jaar later ontdekt dat de alvleesklier insuline afscheidde. - Vaseline
De chemicus Robert Chesebrough hoorde in 1859 bij het onderzoek aan een olieput de arbeiders klagen over een vettige stof die de machines deed vastlopen. Het viel hem op dat ze diezelfde stof gebruikten bij brand - en snijwonden. De chemicus nam het spul mee naar huis om er mee te experimenteren wat leidde tot petroleum jelly ofwel vaseline. - Vaccins
In 1796 vermoedde de arts Edward Jenner dat mensen die besmet waren met koeienpokken minder ziek werden van de levensbedreigende gewone pokken. Hij injecteerde een gezond jongetje met pus uit koeienpokken, waarna het jongetje een beetje ziek werd, snel herstelde en immuun bleek voor mensenpokken. - Klittenband
De uitvinder George de Mestral probeerde in 1941 zijn hond te bevrijden van zaden in zijn vacht. Die zaten goed vast en dat bracht hem op het idee van klittenband. - Sacharine, zoetjes zonder suiker
In 1879 waste de chemicus Constatin Fahlberg zijn handen niet goed na een experiment met verschillende stoffen. Toen hij aan zijn vinger likte, proefde hij een mierenzoete smaak. Hij legde het verband met de stoffen waarmee hij had gewerkt, waarmee de basis voor de kunstmatige zoetstof in zoetjes was gelegd. - Radioactiviteit
Antoine Henri Becquerel legde in 1896 uraniumzoutkristallen op een fotografische plaat die in zwart papier was gewikkeld. Hij veronderstelde dat door zonlicht het kristal straling zou gaan uitzenden (fluorescentie) die door het papier heen de fotografische plaat zou bereiken en daar een zwarte vlek zou produceren. Op een dag dat de zon wegbleef, en er dus geen fluorescentie viel te verwachten, bleek de plaat toch een zwarte vlek te vertonen. Waarom hij de fotografische plaat ondanks het gebrek aan zonlicht ontwikkelde, is een raadsel, maar het leidde wel tot de conclusie dat het kristal uit zichzelf straling uitzond. - Relativiteitstheorie
Einstein vroeg zich op 16-jarige leeftijd af wat hij zou meemaken als hij op een lichtstraal kon meereizen. Als hij een klok zou neerzetten bij het vertrekpunt en vervolgens tijdens zijn reis terug zou kijken naar die klok, zou hij steeds dezelfde tijd aflezen, dat beeld reisde met dezelfde snelheid met hem mee. Voor de reiziger zou de tijd dus tot stilstand zijn gekomen. Dat ook tijd geen vaste grootheid is, vormt de basis voor de relativiteitstheorie. - Maagzuur
De Amerikaanse legerarts William Beaumont werkte in 1822 met een patiënt die door een jachtongeval een gat in zijn buik had dat direct naar zijn maag leidde. De dokter bracht met een touwtje verschillende voedingsmiddelen door het gat binnen in de maag, waaronder oesters en rosbief, om het verteringsproces te observeren. Dit onderzoek zou later leiden tot de ontdekking van het belang van maagzuur in het verteringsproces. - Antibioticum
In 1928 liet Alexander Fleming een petrischaaltje (glazen schaaltje met een rand van 1 à 2 cm en een diameter van ca 10 cm) met een restje van de bacterie stafylokok op zijn laboratoriumtafel staan staan terwijl hij twee weken met vakantie ging. Bij terugkeer zag hij dat er schimmel was gevormd op de voedingsbodem en dat rondom die schimmel geen bacteriën meer voorkwamen. Hiermee was de penicilline ontdekt.
Dit zijn allemaal voorbeelden waarbij de oplettende en creatieve geest van de onderzoeker uit toevalligheden conclusies trekt met verstrekkende gevolgen. Leve de vrije wetenschap!

Reacties
Een reactie posten